Teeltadviezen midden april

Pit- en steenfruit

Onderstaande adviezen komen voort uit het overleg van de werkgroep op 29 maart. We proberen in functie van de weerverwachting de situatie op 10 april in te schatten, wanneer dit artikel verschijnt. Er zijn verschillen per perceel en per regio die de situatie beïnvloeden.

De ontwikkeling voor peer ligt nog steeds 17 dagen voor op het langjarig gemiddelde. Voor appel lopen we 11 dagen voor. Er is dus een groter verschil in fenologie tussen appel en peer t.o.v. andere jaren. Vroege kersenvariëteiten hebben momenteel ook 11 dagen voorsprong op het langjarig gemiddelde.

 

Fenologie

We probeerden op 29 maart een schatting van bloeiperiodes te maken.

 

Voor Jonagold verwachten we begin bloei op 8 april. Volle bloei valt dan een weekje later, op 14 april.  Voor Conference zitten we in week 15 al einde bloei. Gezien het huidige bloeitijdstip is een vroege inschatting van de start van oogst rond 12 à 19 augustus. Dat kan natuurlijk nog variëren, afhankelijk van de weersomstandigheden tot aan de oogst. Waarschuw tijdig je personeel, zodat zij zeker beschikbaar zijn wanneer de (vroege) pluk begint!

 

Bij kersen zien we sterke variaties in fenologie op de boom en binnen percelen. De vroege rassen gaan al richting einde bloei. Kordia zit momenteel rond begin bloei en Regina rond witte knop.

 

Vruchtzetting

Peer: Er werd voor week 14 geen vorst voorspeld, gedurende de bloei. Daarom raden we voorlopig af om op een gemiddeld Conference-perceel een zettende behandeling uit te voeren. In percelen met weinig bloembot kan je wel nog twee keer behandelen met Regalis Plus. Dat doe je twee en drie weken na de bloei aan 0,33 kg/ha haag om de zetting te bevorderen.

 

Appel: Pas bij triploïde rassen GA4/7 toe in volle bloei. Is er weinig tot normale bloembot of zit je in een beurtjaar, volg dan op met een Regalis Plus behandeling twee à drie weken na de bloei. Bij diploïde rassen is dat zeker geen standaardmaatregel, tenzij je met een beurtjaar en weinig bloembot zit.

 

Ziektes

Als je bespuitingen uitvoert, hou je in deze periode best rekening met het bloesemtoerisme.

 

  • Schurft: We zitten momenteel in de belangrijkste periode voor schurftbestrijding. Let daarom rond en na de bloei op met de sterke toename van bladmassa. Die is in deze periode cruciaal voor de schurftbestrijding. Bij hoge uitstoot, gecombineerd met een zware infectie, werk je met een ‘sandwich-toepassing’. Je gaat dan preventief behandelen en curatief terugkomen. Hou er rekening mee dat captan niet toegelaten is tijdens de bloei. Die mag je pas vanaf vruchtmaat 10 mm opnieuw inzetten. In maart zijn er al enkele zware infecties geweest. De eerste infecties zijn vanaf week 14-15 zichtbaar op kelkslibben (Foto 1), vruchtsteeltjes en rozetbladeren. Controleer grondig op die primaire infecties en hou een preventief schema aan indien je vlekken vindt. Zelfs dauw kan al een aanleiding geven tot infectie-uitbreiding. Zet op regelmatige basis, zo om de 10 à 14 dagen, middelen met fosfonaten (Delan Pro, Ditho Pro, Soriale) om de ziekteresistentie van de bomen te verhogen. Curatief kan je vanaf week 14-15 DMI’s (Geyser of Mavor) inzetten bij temperaturen boven 12°C. Die hebben een betere werking op de vruchten. Je kan ook SDHI’s (Luna’s, Sercadis) toevoegen in het schema om schurft te voorkomen.
Foto 1. – Schurft op kelkslibben bij jonge vrucht.

 

  • Witziekte: De witziektepluimen bij appel zijn vanaf week 14-15 ook zichtbaar. Het advies blijft ook die weg te snoeien of weg te breken en nadien te behandelen met voldoende water. De SDHI’s hebben het sterkste effect op de primaire witziektepluimen. Heb je geen witziektepluimen? Behandel dan verder in het seizoen in blokken met middelen van verschillende families als antiresistentiestrategie. Hou wel steeds rekening met residuprofielen van de gebruikte middelen! In bloei kan je nog werken met SDHI’s (Luna’s, Sercadis), terwijl je in de nabloeiperiode eerder kiest voor strobilurines, zoals Candit, Flint of Bellis.
    Bij peer is witziekte enkel een probleem in de Doyennéfamilie. Wees extra waakzaam als er sierperen in de buurt staan, want die zijn soms sterk aangetast. Mavor kan je in de nabloei inzetten naar zowel witziekte, schurft (curatief) als Stemphylium.

 

  • Neonectria: Het natte weer is risicovol voor Neonectria (neusrot). Een toepassing van Luna Experience in de afbloei heeft zowel een werking naar neusrot als naar witziekte en voor peer werkt het ook naar Stemphylium.

 

  • Stemphylium: Bij peer is de periode van einde bloei tot eind juni het belangrijkste om Stemphylium te bestrijden, want dan zijn de jonge vruchtejs het meest vatbaar voor aantasting. Hou er wel rekening mee dat latere infecties in de zomer ook nog steeds kunnen voorkomen. Pas daarom einde bloei en twee weken later een sterk middel (Luna Experience, Luna Care, Switch, Bellis, Sercadis, Mavor) toe en hou dat langer aan afhankelijk van de druk of problemen in het verleden. Nadien behandel je op basis van de waarschuwingen. Als er in het verleden geen problemen waren, kan je fosfonaten (Delan Pro, Ditho Pro) of Mavor of Aliette toepassen.

 

  • Pseudomonas: Een natte bloei geeft risico op Pseudomonas. Controleer daarom je percelen. Waar druk is of de eerste symptomen voorkomen, kan je na bloei starten met Luna Care of Aliette.

 

  • Tak- en bloesemmonilia: Bij kers behandel je tijdens de bloei (en zeker bij een natte bloei) tegen tak- en bloesemmonilia met Signum, Tebusip of Mavor. Bij de afbloei kies je voor Luna Experience of Switch om ook Alternaria te bestrijden. Indien het nat of vochtig weer blijft, behandel je bij kersen ook tegen hagelschotziekte met zwavel, afgewisseld met een middel tegen bladvalziekte, zoals Delan, dodine of Luna Experiece. Bij droog weer is dat niet noodzakelijk.

 

Plagen & nuttigen

  • Nuttigen als roofwantsen, lieveheersbeestjes, zweefvliegen, sluipwespen, spinnen, roof- en fluweelmijten zijn nu sterk actief. Vermijd insecticidentoepassingen, tenzij het echt nodig is.
  • Bloedluis migreert rond deze periode in de percelen met heel zware druk naar de bloesems. Ons model van Aphelinus mali, het sluipwespje voor wollige bloedluis, voorspelt het verschijnen van deze specifieke soort begin april. Sluipwespen zijn een belangrijke natuurlijke vijand, maar ze worden snel afgedood bij insecticidenbehandelingen direct na de bloei. Wacht tot het verschijnen van de eerste mummies bij bloedluis, voordat je opnieuw insecticiden toepast. Wanneer insecticidenbehandelingen de bloedluis eerder doden dan dat de sluipwesp de bloedluis heeft gedood, zal de opbouw van de sluipwespen enorm benadeeld zijn. Sluipwespen zijn ook natuurlijke vijanden van o.a. zaagwespen, schildwantsen, kevers, rupsen, bladluizen en perenbladvlo.
  • In de (na)bloei periode is er mogelijk opbouw van spint, roestmijt, luizen in appel, kers en eventueel peer. Controleer je percelen en behandel enkel indien nodig. Kies je middel op basis van de aanwezigheid van andere nevenplagen als kevers, zaagwesp, wantsen… Groene appelwants of vruchtsteker zijn nu zeer plaatselijk nu aanwezig.
  • Schade van perenpokmijt, kleine perenknopkever (verkaling van takken), perenknopkever (minder bloesem/vruchten), appelbloesemkever (kappertjes), zaagwesp in peer, dikkopjes is nu zichtbaar, maar momenteel niet te bestrijden. Noteer de schade en volg later de waarschuwingen op.
  • Rode spin zit nu op 50% ontluiking. Bij lage druk zal een Movento-behandeling tegen bloedluis er werking op hebben. Bij sterke aanwezigheid kan je nabloei, bij 100% ontluiking, een behandeling met Siltac SF toepassen bij sneldrogend weer. Bij peer nemen Movento en de fysische middelen ook spintmijten en roestmijten mee.
  • Van perenbladvlo verwachten we nu de adulten van de tweede generatie. Momenteel zijn er geen correcties met goede werking mogelijk tot aan de eerste Movento-behandeling. Eind april zullen de oorwormen (3e nimfestadium) de bomen intrekken en perenbladvlopopulaties reduceren.
  • Als je feromoonverwarring tegen fruitmot nog niet uithangt, is het in week 14-15 hoog tijd. Voor Oriëntaalse fruitmot, pruimenmot en vroege fruitmot is de vlucht gestart, zorg dat monitoring en/of verwarring uit hangt. Oriëntaals fruitmot is vorig jaar sterk waargenomen in de biologische teelt. Indien je sterke aantasting van fruitmot had, raden we aan ook Oriëntaalse fruitmot te monitoren om zeker te zijn met welke soort fruitmot je te maken hebt.

Bladvoeding

Voor een optimale blad- en vruchtkwaliteit zijn bladvoedingen quasi onmisbaar. Bij appel in de bloei werk je nog met 10% dosis boor. Wissel vanaf nabloei tot eind mei boor en magnesium af met mangaan en zink. Ureum kan dan ook twee (steenfruit) tot drie (pitfruit) keer toegevoegd worden aan de magnesium- en boorbehandelingen. Dat is zeker dit jaar belangrijk omwille van de natte winter waarbij er meer uitspoeling van stikstof is.

Houtig kleinfruit

Onderstaand advies komt voort uit het overleg van de werkgroep kwaliteit van 29 maart. De trend die bezig was, zet zich door. Er is dit jaar een groot onderscheid tussen vroege rassen die erg voorlopen op het gemiddelde van de laatste jaren en de late rassen waar die verschillen kleiner worden. Dat wil zeggen dat producties van verschillende rassen meer uit elkaar liggen, wat organisatorisch en commercieel eerder een voordeel is.

Ziektes

  • Witziekte kan voorkomen als de temperaturen hoger zijn dan 12°C en de vochtigheid hoog genoeg is. Vooral jong blad is gevoelig. Bij openluchtteelten is de druk minder als het regelmatig regent in tegenstelling tot bijvoorbeeld vruchtrot.
  • Behandel vruchtrot tijdens de bloei en vruchtrijping op regelmatige basis en geef het extra aandacht bij nat weer.
  • Bij het uitzetten van frambozen 14 dagen na planten, giet je aan tegen wortelrot door Phytophthora. Ook bij doordragers aardbei voer je een behandeling uit tegen Phytophthora onmiddellijk na het planten. Die behandeling herhaal je vier weken later.

 

Plagen

  • In buitenteelten zijn er naast bladluizen ook heel wat natuurlijke vijanden actief. Spuit daarom niet te snel en laat die nuttigen hun werk doen.
  • Hou spint in het oog. Bij de kwakkelende temperaturen rond Pasen vormt dat geen probleem. Wanneer we naar stabieler weer gaan en temperaturen boven 20°C krijgen, kan de ontwikkeling in deze tijd
    van het jaar snel gaan.
  • Zette je roofmijten uit, dan krijgen ze nu de kans om langzaam uit te bouwen. Let op de begoniamijt bij bramen onder bescherming (Foto 1). Dat is een nieuwe plaag in die teelt. De bestrijding staat biologisch nog niet helemaal op punt, maar er wordt aan gewerkt. Voorlopig bestrijd je chemisch. Bij framboos kan de schade ook voorkomen, maar minder vaak.
  • In buitenteelten van aardbeien of houtig kleinfruit is vanaf nu wantsensschade zichtbaar. Hou het verschijnen van symmetrische patronen van prikschade in het blad en misvormde bloemen of vruchtjes in de gaten.
  • Blijf opletten voor bastaardrupsen van bladwespen in kruisbes en rode bes, want zij vreten de struik op de kortste tijd kaal. Behandel snel bij aanwezigheid. Momenteel zijn die van de eerste generatie. Om de tweede generatie te monitoren, werk je met gele kruisvallen. Momenteel lopen er testen om te bepalen of we met gele vanglinten de schade helemaal kunnen vermijden. Neem dat risico nog niet, tenzij je biologisch teelt.
Foto 1. – Schade begoniamijt bij bramenplanten.

 

Bemesting

In vollegrondspercelen aardbei waar de rijen al langere tijd getrokken zijn, heeft er onder de zwarte plastiek door de redelijk hoge temperaturen en de hoge vochtigheid al flink wat mineralisatie plaatsgevonden.
Dat natuurlijk proces levert stikstof op, vooral op de betere gronden. Hou daarmee rekening en verlaag jouw stikstofgift. Voer eventueel een extra bodemanalyse uit. Te hoge stikstof leidt immers tot hogere ziektedruk (Botrytis, witziekte), maar ook tot uitspoeling.

Deel dit bericht

 

Meest recente artikels